Een Leven Lang Bokser I

09.10.2021 – Lifetime Achievement Award Freddy De Kerpel

Een leven lang bokser I


“Freddy De Kerpel draagt geen horloge, hij bepaalt zelf wel hoe laat het is.” Hoog tijd om hem voor zijn levenslange verdienste voor de bokssport de Golden Gloves Lifetime Achievement Award te overhandigen. In dit eerste deel geven we u alvast één reden om die hoogdringendheid te rechtvaardigen: zijn sportieve prestaties als bokser.


 

13 April 1962, in een bomvol Sportpaleis van Brussel. Met een korte linkse hoek in de plexus stuurt oude ringrat Piero Rollo regerend Europees bantamkampioen Pierre Cossemyns naar het canvas. De Cosse wil nog wel, maar geraakt niet meer tijdig overeind. Weg Europese titel voor altijd. De wraak van de Sard voor de puntennederlaag die Cossemyns hem vijf maand eerder aansmeerde voor eigen publiek in Cagliari. Het symbolische einde van de hoogconjunctuur die het boksen in België na de Tweede Wereldoorlog beleefde met Europese kampioenen als Raoul Degryse, Kid Dussart, Cyriel Delannoit, Jean Sneyers, nog eens Karel Sys en helemaal aan het eind van de roemruchte rij, Pierre Cossemyns.

Het ging de bokssport niet voor de wind in die tijd. Tien dagen voor Cossemyns vs. Rollo was Benny Kid Paret in het Roosevelt Hospital in New York overleden aan de vewondingen opgelopen in zijn derde en dus fatale kamp met Emile Griffith om de wereldtitel in het weltergewicht. Het gevecht dat op 24 maart had plaatsgevonden in de legendarische Madison Square Garden, was rechtstreeks te zien geweest in vele Amerikaanse huiskamers. Wereldwijd stak een storm tegen het boksen de kop op. Er moest paal en perk gesteld worden aan die barbaarse sport die geen sport was. Zoals vaak in de geschiedenis ging ons land voorop in die strijd. Het wetsvoorstel van PSC-politicus Marcel Philippart, dat terecht voorzag in een strenge medische controle van de bokssport in België en reeds in 1958 werd goedgekeurd, maar om onduidelijke redenen nog steeds niet in het Belgisch Staatsblad was verschenen, werd op 2 juni 1962 wel gepubliceerd en kreeg zo kracht van wet. Het feit dat er door de nederlaag van Cossemyns geen drukkingsgroep meer was om dit te verhinderen, zal zeker een rol gespeeld hebben in de versnelde publicatie van de wet. Voor de bokssport in België betekende dit niet meer of minder dan het einde van de vrijheid en de blijheid. Het boksen werd er een stuk veiliger op, maar de verplichte medische controles maakten het een stuk moeilijker om de ring te betreden. Wie medisch niet in orde was, mocht een carrière als bokser wel vergeten. Maar ook zij die nog niet of niet meer voor de volle honderd procent overtuigd waren, haakten af.
Boksen, populaire televisiesport bij uitstek, werd zoveel mogelijk van het scherm gebannen. Van rechtstreekse uitzendingen kon al helemaal geen sprake meer zijn. Het ringlicht ging op een waakvlammetje, de nacht viel over de Noble Art in ons land. Niet dat er niet af en toe een lichtpuntje was. Denken we maar aan middengewicht Milo Saerens en zijn gevecht met de legendarische Sugar Ray Robinson. Of Jean De Keers, die drie keer om de Europese titel bokste in pluim of superpluim, maar telkens kansloos verloor. Voor Staf Roth, onze vooroorlogse en meest succesvolle kampioen ooit, was het in begin 1971 een uitgemaakte zaak: de bokssport was kapot, zeker hier in België.
Maar boksen telt meer levens dan een kat en op het moment dat Roth haar dood verklaarde, was het zaadje van de heropstanding hier te lande al geplant.

Bokser

Het boksen zat bij Freddy De Kerpel niet in de familie. Integendeel, vader José, een strenge, hardwerkende en succesvolle zakenman, was er zelfs ronduit tegen dat zoon Freddy zou boksen. Wel zijn ze een keer samen naar een boksgala in Gent geweest. Niet zo maar een gala. Pierre Cossemyns, toen nog regerend Europees kampioen bantam, tegen de Spanjaard Miguel Kimbo Calderin in ‘t Kuipke. Cossemyns won op punten. En de Gentse held Bob Stevens en Milo Saerens wonnen ook hun kamp. Daar hield het boksen voor vader José mee op, maar niet voor Freddy. Een vogel kan men nu eenmaal het vliegen niet verbieden, Freddy De Kerpel de ring niet ontzeggen.

Hij begon te trainen bij BC Kalken, niet ver van Wetteren, waar hij op 18 juni 1948 in het gehucht Overbeke geboren werd. Twee tot drie keer per week met de fiets heen en terug. Maar het was pas in 1969 in Brussel dat hij met competitie begon. Eerst onder de vleugels van Gus Laurent in Schaarbeek, vervolgens bij Victor Dhaese. Een eerste succesje was de nationale amateurtitel in het zwaargewicht, gewonnen door een knock-outzege tegen titelhouder en favoriet Claude Louys uit Luik. Het was in een tijd dat amateurs nog buiten de Belgische kampioenschappen hun titel konden verdedigen, zoals de profs dat gewoon zijn te doen. Leuk, maar De Kerpel zag het groter. Hij wilde prof worden en waar kan je de stiel beter leren dan in de USA? Dus trok hij naar Los Angeles, een stad van Engelen en bokskampioenen. Dankzij een bevriend priester kreeg hij er kost en inwoon in een high school.

Hij ging er op zoek naar zwaargewichttopper Jerry Quarry en vond Jerry op trainingskamp in San Diego. Bij wijze van test mocht hij drie rondjes sparren met Mike, de jongere broer van Jerry, zelf ook wereldtop, maar dan in het halfzwaar, toevallig ook de gewichtsklasse van De Kerpel. De sparringsessie was goed genoeg om de volgende vier maanden dagelijks met de Quarry’s te mogen trainen. Op zich al een onvergetelijk avontuur, maar Jerry Quarry was niet zomaar aan het trainen in San Diego. Hij en niemand anders was namelijk de tegenstander van Muhammad Ali bij diens comeback. Ali was drie-en-een-half jaar eerder verbannen uit de ring, omdat hij weigerde te gaan vechten in Vietnam. „I ain’t got no quarrel with them Vietcong.“ Maar op 26 oktober 1970 stond hij in een kokend en kolkend Auditorium in Atlanta, Georgia, terug in de ring, tegen Jerry Quarry dus. Niet voor lang. Ali danste en overklaste Quarry van bij het begin. Kans op wederwoord was Quarry niet gegund, want in de derde ronde opende Ali met een rechtse een jaap boven het linkeroog van Quarry, zodat verder boksen onverantwoord was. Referee Tony Perez stopte het gevecht tijdens de rust voor de vierde ronde. Quarry out en Ali back in business. De Kerpel was erbij. Niet op de eerste rij, maar wel dichtbij de ring, met een technicians walk-in ticket als lid van team Quarry, omringd door beroemheden als Diana Ross en de inmiddels van zijn komisch voetstuk getuimelde Bill Cosby, die de terugkeer van Ali voor geen geld ter wereld hadden willen missen. De Kerpel was tijdens de voorbereiding in Atlanta samen met Mike Quarry verscheidene malen naar de publieke trainingen van Ali gaan kijken. Ali kende Mike en zo leerde Freddy Ali kennen als “een sportieve en kalme kerel”.
Terug in Los Angeles ontmoette hij op training nog een groter idool van hem: Sugar Ray Robinson, wereldkampioen welter en midden in tijden die er echt toe deden, voor velen nog steeds de grootste allertijden. Net Robinson zag hem sparren en stelde De Kerpel voor om eens samen te trainen, maar daar wilde Jack Quarry, de strenge vader van de Quarry’s, niet van weten. Van een ontmoeting met Ol’ Blue Eyes Frank Sinatra die Robinson hem beloofd had, kwam bijgevolg ook niets in huis.

 

Al die meet-and-greets met de wereldsterren van toen waren één zaak, boksen een totaal andere zaak. De Kerpel leverde vier amateurkampen in de States, won er twee, verloor er twee en kreeg dan van Jack Quarry de kans om het bij de profs te proberen. Op 23 november 1970, een blauwe maandag in Los Angeles, was het zover. De Kerpel tegen een andere debutant, Ruben Sepulveda. Een aanvaller, die Sepulveda. De Kerpel sloeg al die aanvalsdrift met gemak af en won na zes ronden unaniem op punten.
Het hadden meer profkampen kunnen zijn, daar in Amerika, maar legerdienst haalde De Kerpel terug naar België.

Dan kom je met al die Amerikaanse ervaring terug in eigen land, waar de bokssport op apegapen ligt, en moet je die toepassen in de Laaglandse praktijk. Dat lukte heel goed in het begin, maar naarmate de tijd verstreek, ebde ook de fighting spirit, opgebouwd bij de Quarry’s, langzaam maar zeker weg. De Kerpel zweeg over die ene profkamp in Los Angeles om Olympisch zijn kans te kunnen gaan. De Spelen van München in 1972 waren het doel, maar ze eindigden met een puntennederlaag tegen Oostendenaar Fernand De Ruyter in de finale halfzwaar van de Belgische kampioenschappen voor amateurs in Namen. Dat zette natuurlijk een flinke domper op alle boksdromen die De Kerpel koesterde.

Het verhaal had hier kunnen eindigen, ware er niet Raymond Noë geweest, de kleurrijke, spitante uitbater van snackbar Martino in de Vlaanderenstraat in Gent, waar De Kerpel al eens een koffietje ging drinken. Noë stelde De Kerpel voor om het toch nog eens te proberen, zorgde voor geld en middelen en van start gingen ze. De Kerpel kon trainen als een prof en trainde als een beest. Na nog enkele liefhebberskampen debuteerde hij op 28 september 1973 in thuisstad Gent voor een tweede keer bij de profs. Tegenstander was meteen Belgisch kampioen halfzwaar Gilbert Monteyne. De Kerpel was technisch beter en won na zes ronden op punten. De kop was eraf, de sneltrein vertrokken. Een maand later al volgde op het toen nog lang niet zo traditionele Allerheiligengala in Izegem de rematch. In het hol van de leeuw en over acht ronden. De kamp was harder, maar de uitkomst dezelfde: De Kerpel won andermaal op punten. Op de undercard bokste ook Jean-Pierre Coopman. Die won door knock-out in de derde ronde van de bescheiden Erwin Josefa uit Curaçao. De carrières van De Kerpel en Coopman zouden lang parallel lopen en uiteindelijk op uitzonderlijke wijze met elkaar verweven worden.
Sleutelgevecht in het eerste seizoen van De Kerpel was zijn kamp met Fernand De Ruyter, de man die bij de amateurs zijn Olympische droom had stukgeslagen. Een nieuwe nederlaag zou ook zijn profambities fnuiken. Bleek echter dat De Kerpel vooruit was gegaan en De Ruyter stil was blijven staan. De Ruyter gaf op in de vierde ronde.

De overwinning op De Ruyter was evenwel niet het hoogtepunt van zijn eerste seizoen in de betaalde rangen. Dat kwam er op 27 april 1974 in het Gentse Kuipke. De wielertempel was voor de gelegenheid omgetoverd in een bokspaleis. Freddy De Kerpel en Jean-Pierre Coopman tegen de gebroeders Lubbers uit het Noord-Hollandse Heerhugowaard. Jean-Pierre tegen Rudi, die in zijn vorige kamp in Jakarata, Indonesië, nog de volle twaalf ronden was gegaan met Muhammad Ali; Freddy tegen Jan, ouder dan Rudi, minder hoog aangeschreven, maar ook al om de Europese titel gebokst. Coopman leverde moedig slag tegen de technisch superieure Rudi en verloor eervol. De Kerpel van zijn kant had het bij aanvang niet onder de markt met de grotere Jan, die van kortbij gevaarlijk was met zijn rechtse uppercut. Maar De Kerpel was sneller en met zijn laaghangende, loden linker nam hij de maat van de Nederlander. België vs. Holland 1-1 en tien op tien voor De Kerpel. Die avond in ’t Kuipke krabbelde de Belgische bokssport terug overeind. Ze was dus niet dood, integendeel. Ze had eindelijk de vedette gevonden naar wie ze al jaren op zoek was: Freddy De Kerpel. Een golden boy. Glamour en glitter. Zag er goed uit, ging modieus gekleed, snelle wagen en beeldschone vriendin. Maakte een V-teken voor hij de ring betrad, alsof de oorlog dan al gewonnen was. Een totale stijlbreuk met de nederige boksers waar men hier te lande in de donkere jaren aan gewoon was geraakt. Dappere, maar grijze muizen. De Kerpel was een ster en sterren die schitteren nu eenmaal. Hij polariseerde. Velen hadden het er moeilijk mee en gingen kijken om hem te zien verliezen. Anderen waren als gedesoriënteerde motten verleid door het ringlicht dat hij uitstraalde. Beide groepen, haters en lovers, zorgden voor volle zalen, overal in België, want zijn aantrekkingskracht hield niet op aan de taalgrens. Hij hoefde zelfs niet te boksen. De kans dat hij aanwezig zou zijn, was al voldoende. Wanneer hij met zijn toenmalige vriendin Maxette de zaal binnenkwam, later dan de eerste gongslag, zoals dat een sterrenkoppel betaamt, draaiden hoofden weg van de ring hun kant uit. Nooit eerder gezien in deze streken en daarna ook niet meer gezien.

De Kerpel opende zijn tweede profseizoen met een gevecht om de Belgische titel tegen Jean Tshikuna. De eerste prestatiekamp uit de nationale geschiedenis, want Tshikuna was toen Zaïrees en kwam niet in aanmerking voor de titel. De Kerpel won na tien ronden op punten en werd zo officieel de opvolger van Gilbert Monteyne, die hij al in zijn eerste Belgische profkamp geklopt had. Wat volgde, was een drieluik dat de deur naar een Europees titelgevecht zou openen. Het was oorspronkelijk de bedoeling deze triptiek te beginnen met een kamp tegen de Franse kampioen Jean-Claude Capitolin, maar die zegde in laatste instantie af. De Duitser Leo Kakolewicz nam zijn plaats in. Kakolewicz, geboren in Polen, was toen de nummer vijf op de Europese ranglijst in het halfzwaargewicht. Een puncher, maar zelf niet van graniet. De Kerpel bouwde met zijn zware jab een puntenvoorsprong uit in de beginronden. Er was evenwel een wankel moment in ronde vijf, toen hij geraakt werd door een harde linkse hoek, maar Kakolewicz volgde niet op en liet zo De Kerpel terug in de wedstrijd komen. Naar het einde toe probeerde de Duitser nog wel met wanhopige zwaaistoten het pleit in zijn voordeel te beslechten, maar tevergeefs, de puntenzege ging naar De Kerpel. De zaal, het Zelehof, ontplofte. België had eindelijk weer een bokser in de Europese top.
Vervolgens was dan toch Jean-Claude Capitolin aan de beurt. Gewezen Frans kampioen in het halfzwaar en ook top-10 in Europa geweest, tot twee verloren nationale titelkampen hem uit koers sloegen. Net als Kakolewicz een puncher. In de derde ronde joeg hij De Kerpel met een knalharde rechtse de duisternis in. De Kerpel ging niet neer, bokste verder op automatische piloot en pas halverwege de vierde ronde ging het licht weer aan. Ruimschoots op tijd om zijn linker te laten lopen en er Capitolin tot het einde van de kamp mee te teisteren. Weer een puntenzege en een stap dichter bij een Europees titelgevecht.

Gipsy Johnny Frankham, geboren in het Britse Reading, maar liefst zonder vaste verblijfplaats zoals het een echte zigeuner past, was de laatste horde naar de Europese titel. Topper onder de Britse halfzwaargewichten. Meer talent dan goed voor hem was. Kettingroker, drinkebroer, gokverslaafd, maar boksen kon hij. Frankham, die ooit tijdens een exhibitie Muhammad Ali “vloerde”, lachte ermee.  Al bij de touch gloves draaide hij De Kerpel speels een veeg op de kaak. maar De Kerpel liet zich op geen enkel moment uit zijn lood slaan door het gekkebekken, grappen en grollen van Frankham. Onverstoorbaar en aan een hoog tempo leverde hij een topduel met de Brit, dat hij afgetekend op punten won. Frankham vervolgde zijn carrière met twee klassiekers tegen Chris Finnegan, Olympisch kampioen in Mexico 1968, telkens met de Britse titel in het halfzwaar als inzet. Een keer winst, een keer verlies. De Kerpel wachtte een gevecht om de Europese titel in het zwaargewicht.

Die titel was in handen van de Italiaan Domenico Adinolfi. In eigen midden, in Campione d’Italia, stadje met een omineuze naam, en in minder dan een ronde gewonnen van de Duitser Karl-Heinz Klein. Organisator Paul Rimbo Van Lysbetten had er veel, misschien zelfs te veel geld voor over om De Kerpel met thuisvoordeel te laten starten en haalde Adinolfi naar ons land. Het allereerste Europese kampioenschap op Belgische bodem sinds Cossemyns vs. Rollo II in 1962.

Op 19 april 1975 had Freddy De Kerpel in de Oktoberhallen in Wieze rendez-vous met de Belgische sportgeschiedenis. Daarvan was hij zich terdege bewust. Al te zeer bewust. Hij had er alles voor gedaan en niets aan het toeval overgelaten. In aanloop naar het Europees titelgevecht meer dan 180 ronden gespard. Meer dan genoeg en eigenlijk te veel. Het seizoen was al lang geweest en zwaar. Bovendien was De Kerpel gebrouilleerd geraakt met manager Raymond Noë en die extra spanning werkte bepaald niet prestatiebevorderend. Het wedstrijdplan was eenvoudig: een rustige aanpak in de eerste vijf ronden, Adinolfi afmatten in de volgende vijf en afmaken in de laatste vijf, de kampioenschapsronden. Maar het was De Kerpel zijn dagje niet. Al vanaf de eerste ronde voelde hij zich vermoeid en gespannen. De linker liep, maar miste scherpte. De rechter volgde af en toe, maar kon niet afmaken. Hij probeerde het wel, zeker tussen ronde drie en zeven, luid aangemoedigd door zijn supporters, maar Adinolfi plooide niet. Naarmate de ronden voorbijgleden, verdween ook het geloof, bij die supporters, bij De Kerpel en bij manager Noë. De tiende ronde was zwaar, niet dat de knock-out dreigde, maar De Kerpel kreeg heel wat binnen. Geen beterschap in ronde elf, de handdoek vloog de ring in. België zou nog even langer moeten wachten op een opvolger voor Pierre Cossemyns.

Na het verloren Europese titelgevecht met Adinolfi brak De Kerpel voorgoed met Raymond Noë als manager. Hij ging in zee met Jef Van Driessche. Een totaal andere relatie, want niet langer één op één, maar één op meer. Van Driessche had immers nog andere profboksers van niveau onder zijn hoede.

De nederlaag tegen Adinolfi bracht met zich mee dat sommigen De Kerpel niet langer zagen als de onbetwiste nummer één in België en hun kans wilden wagen tegen hem. Het waren er twee uit de Oostkantons: Armand Xhonneux en Christian Moussoux, beiden aangesloten bij Boxring Eupen, even oud, op hetzelfde ogenblik begonnen bij de amateurs, op hetzelfde ogenblik overgestapt naar de profs en bovendien ook nog eens beiden slager van beroep. De Kerpel voegde er nog een andere overeenkomst aan toe: hij stopte eerst Xhonneux en vervolgens Moussoux in de negende ronde. Alleen in de kamp tegen Moussoux stond zijn Belgische titel in het halfzwaar op het spel.

Het was de tijd dat de Argentijn Carlos Monzon over de wereld der middengewichten regeerde en die heerschappij jaar na jaar vooral in Monaco en Frankrijk bevestigde. Tegen Jean-Claude Bouttier, Emile Griffith, José Napoles en Gratien Tonna. Allemaal grote namen en daar wilde De Kerpel bij horen. Dus besloot hij om van het halfzwaar af te zakken naar het middengewicht. Een verschil van net geen zeven kilogram en dat voor een atleet waar al geen grammetje vet aan zat. Alleen door spierverlies kon dat gewicht gehaald worden. Roofbouw.
In Luik stapten ze mee in die waanzinnige onderneming en planden ze een gevecht tussen De Kerpel en niemand minder dan wereldkampioen Carlos Monzon himself.
Niet onmiddellijk, er dienden eerst nog enkele andere kampen betwist te worden. Zijn debuut in het middengewicht tegen de Duitse veteraan Dieter Schwartz leverde De Kerpel geen problemen op. Schwartz ging eruit in ronde vier en hing na die nederlaag definitief de handschoenen aan de haak.
In de Vurige Stede Luik had organisator en oud-tegenstander Claude Louys echter een opponent van een ander kaliber bereid gevonden om De Kerpel partij te geven: Emile Griffith, toen een nog levende legende. Wereldkampioen welter en middengewicht geweest, de man van de tragische kamp met Benny Parret in 1962. Al begonnen aan de afdaling, maar nog steeds wereldtop. Veertien dagen voor de kamp zegde Griffith echter zonder nader genoemde reden af. In allerijl werd een andere tegenstander van niveau gezocht en ook gevonden: Kevin Finnegan, de gewezen Britse en Europese kampioen middengewicht, de nummer vijf op de WBC-wereldranglijst. Van Griffith had het gerust wat meer mogen zijn, maar Finnegan eiste dat De Kerpel niet meer dan 74kg zou wegen. De Kerpel verscheen op die 10de april 1976 dan ook messcherp in de ring van een bomvolle Country Hall in Sart-Tilman. En toch was hij goed, nooit beter geweest.

De aanvangsronden waren voor Finnegan. Die ging sneller en snediger van start. Maar vanaf de derde ronde stond de trein van De Kerpel op de sporen. Met zijn fameuze linker verwondde hij Finnegan rond beide ogen. Hij haalde Finnegan in en ging hem voorbij. Niet dat het eenrichtingsverkeer werd, Finnegan bleef voor gevaarlijk weerwerk zorgen, maar De Kerpel was baas. Bij het begin van de negende ronde stond hij twee punten voor bij alle rechters. Nog twee ronden volhouden en hij was wereldtop in het middengewicht. Nog even volhouden.

Finnegan leidt kort in met links en volgt hard met rechts naar het hoofd. Een voltreffer die De Kerpels benen wegslaan, maar vallen doet hij niet, aanklampen evenmin. Incasseren des te meer. Een linkse hoek, gevolgd door een rechtse. De Kerpel op zijn hielen. Finnegan duwt hem neer. Acht tellen rust brengen geen beterschap. Finnegan is een uitmuntend technicus en precies als een hersenchirurg. De Kerpel krijgt de volle laag en gaat door de touwen. Net als een jaar eerder tegen Adinolfi vliegt ook nu de handdoek de ring in. Finnegan vangt het symbool van de overgave op nog voor het doek het canvas raakt. Scheidsrechter Willy Scholtes telt door tot tien, ook al zit De Kerpel dan al op het stoeltje in zijn hoek.

Bijna Finnegan geklopt. Dat was toen al straf, maar dit wapenfeit is er sindsdien alleen maar straffer op geworden. Finnegan, die na De Kerpel nog twee keer nipt verloor van de latere wereldkampioen Alan Minter. Finnegan, die tegen Tony Sibson opnieuw Brits en tegen Gratien Tonna opnieuw Europees kampioen werd. Finnegan, die nog tweemaal de ring zou delen met Marvelous Marvin Hagler, vijftien ronden lang, twee keer gestopt op blessures. Finnegan, die door Hagler “the toughest man I ever fought” genoemd werd. Diezelfde Finnegan moest bijna het onderspit delven tegen Freddy De Kerpel.

Maar bijna telt niet in de bokssport. Dus moest De Kerpel bij aanvang van zijn vierde profseizoen als een ware Sisyphus weer onderaan de berg beginnen. Niet helemaal onderaan, maar toch, het was en bleef een lange en steile beklimming. Een seizoen waarin het meteen al verkeerd liep tegen journeyman Carl Watson. In de tweede ronde scheurde een oude wonde aan het rechteroog weer helemaal open. De scheidsrechter kon niet anders dan de kamp stilleggen. Het najaar ging zonder verdere kampen voorbij, maar in het voorjaar was De Kerpel weer helemaal terug. Makkelijke puntenwinst tegen de Duitse broodbokser Horst Lang en dan was het alweer tijd voor een topper: de Fransman Robert Amory. Niet zo’n hoge top als Finnegan of Adinolfi, maar wel de kampioen van zijn land in het halfzwaar en dat betekende in die tijd in dat land nog veel. De Kerpel domineerde van bij aanvang en won na tien ronden afgetekend op punten. Bij deze zege hoorde een trofee, een soort pièce-montée. Niet meteen het mooiste exemplaar, maar het gevoel bij deze overwinning was zo goed dat het uitgerekend deze beker is die De Kerpel als enige van een heleboel tot op vandaag bewaard heeft. Belangrijker nog dan de trofee was het feit dat hij opnieuw de eerste plaats bekleedde op de Europese ranglijst in het halfzwaargewicht.

Het seizoen 1977-78 kondigde zich bijgevolg veelbelovend aan. Er zat een nieuwe Europese titelkans aan te komen tegen regerend kampioen Aldo Traversaro en het Antwerpse Sportpaleis, dat goede zaken had gedaan met de Europese titelkampen van Jean-Pierre Coopman, had er veel geld voor over om ook dit Europees titelgevecht onderdak te bieden. Bovendien zat er nog een ander lucratief project in de pijplijn: zelf slag leveren tegen Jean-Pierre Coopman. At catchweight, want Coopman was een zwaargewicht en De Kerpel slechts halfzwaar. Daar zou Vlaanderen en bij uitbreiding België storm voor lopen. Mooie vooruitzichten, maar beginnen deed De Kerpel op Wapenstilstand in Zele met een voortijdige overwinning tegen de Brit Bob Pollard. Pollard kwam er niet aan te pas en diende gehavend als hij was in de zesde ronde de strijd te staken. Een maand later, op 16 december 1977, ging Alex Penarski in Grivignée wel de volle afstand, maar ook zonder ook maar één moment voor de overwinning in aanmerking te komen. De Kerpel was in topvorm, 1978 zou zijn jaar worden.

17 december 1977. In het Franse stadje Creil, 45 kilometer boven Parijs, verdedigt de Duitser Jörg Eipel in een feesttent op het Champs de Mars voor het eerst zijn Europese titel in het weltergewicht tegen thuisbokser Alain Marion. In de vijftiende en laatste ronde gaat Eipel zwaar neer op een snoeiharde rechtse op het hoofd. Hij mag nog hervatten, maar wordt even later na nog enkele voltreffers hangend in de touwen uitgeteld. Al snel verliest hij het bewustzijn. Hij heeft een hersenletsel opgelopen en krijgt een hartstilstand. Hij wordt gereanimeerd in de ring. Pas vier weken later zal de jonge West-Duitser, amper twintig jaar oud, uit een diepe coma ontwaken.

Het tragisch ongeval van Eipel kwam hard binnen bij De Kerpel. Dit was niet een of andere arme Mexicaan of Afro-American die in de ring ver weg het leven had gelaten. Dit was heel dicht bij. De Kerpel kende Eipel persoonlijk. Ze hadden nog samen getraind in Berlijn. “Wat met Jörg is gebeurd, kan ook mij overkomen.” En met die gedachte sloop de twijfel binnen in zijn hoofd. Terwijl Eipel nog in coma lag, moest De Kerpel op 7 januari 1978 zelf aan de bak tegen de Italiaan Cristiano Cavina, een Italiaan uit Faenza maar wel geboren in Ougrée. Later nog Italiaans kampioen en challenger voor de Europese titel, maar toen hij De Kerpel ontmoette, was hij nog lang niet zo hoog aangeschreven. Cavina moet gevoeld hebben dat De Kerpel er mentaal niet helemaal klaar voor was. Hij rook zijn kans en greep die kans met die lange armen van hem. Vooral zijn rechtse was gevaarlijk. Tot overmaat van ramp liep De Kerpel tijdens de vijandelijkheden een breuk aan zijn linkeroogkas en -jukbeen op. Een blessure die hem het zicht in het linkeroog had kunnen kosten. Zeven ronden lang streed hij voor wat hij waard was, maar dat was door zijn afnemend zicht steeds minder. De kamp werd stilgelegd na ronde zeven. Weg was de Europese droom, weg de kamp met Coopman. Nog eens vanaf nul herbeginnen zag De Kerpel niet meer zitten. Hij hing de handschoenen definitief aan de haak. Of toch niet, maar dat is voor later, veel later.

Facebook
Twitter
WhatsApp

Artikel in der Autorenbox

inleiding De kerpel I

Alain Van Driessche - Christophe Neyts & Ibrahim Emsallak

Auteur - eindredactie & algemene coördinatie